top of page

De invloed van bindingsangst en verlatingsangst op opvoeding

  • Foto van schrijver: Helen van der Wals
    Helen van der Wals
  • 23 nov 2025
  • 3 minuten om te lezen

‘Zij duwt mij weg, maar wil dat ik blijf.’

‘Ik weet niet wat ik nog kan zeggen, hij blijft zich vastklampen.’


Zomaar wat uitspraken die ik wekelijks tijdens mijn sessies hoor. Onder zulke uitspraken schuilt vaak een diepgeworteld hechtingspatroon. Een patroon dat onbewust veel invloed kan hebben op hoe we ons als ouder verhouden tot de opvoeding van ons kind.



We geven die patronen zelden bewust door. We handelen vanuit wat ooit veilig voelde, vanuit gewoontes die ooit hielpen overleven. Het wordt onze blauwdruk. Niet alleen voor onszelf, maar ook voor de relaties om ons heen. Inclusief de relatie met onze kinderen.


Kinderen luisteren naar wat we zeggen, maar kijken naar wat we voelen en doen. Ze nemen gevoelens feilloos waar, maar vertalen die op hun eigen manier. Een ouder die het moeilijk heeft, ervaart het als stress. Maar een kind voelt: “er is iets mis met mij.”


En precies daar begint de keten van gewoontes en overtuigingen die zich, vaak onbedoeld, van generatie op generatie voortzet.


Hoe het patroon zich vormt

Wie verlatingsangst kent, zoekt nabijheid en bevestiging. Bang om de verbinding te verliezen. Die behoefte, soms zichtbaar en soms subtiel, voelt een kind perfect aan. En wat het leert, is dat liefde betekent dat je alert moet zijn, dat je moet zorgen dat de ander zich goed voelt en dat je zelf niet te veel ruimte moet innemen.


Als je ouder bindingsangst ervaart, zoek je juist afstand en autonomie. Bang om opgeslokt te worden door de ander. Kinderen leren dat gevoelens ingewikkeld zijn, dat het beter is om jezelf terug te trekken of om alles alleen te doen. Zo ontstaat zelfstandigheid ten koste van nabijheid


Onder beide patronen ligt dezelfde kernangst: ik moet mezelf aanpassen om liefde te behouden.


Wat het kind meeneemt

  • Kinderen van verlatingsangstige ouders zijn vaak waakzaam, gevoelig en geneigd te pleasen. Ze zoeken geruststelling en vermijden conflict.

  • Kinderen van bindingsangstige ouders lijken ‘makkelijk’, zijn zelfstandig en rustig, maar dragen hun gevoelens alleen.


Achter beide patronen schuilt hetzelfde verlangen: zie mij, precies zoals ik ben.


Wat je als ouder kunt doen

Het begint allemaal met bewustwording. Dat klinkt eenvoudig, maar is het niet. Want onder die bewustwording ligt vaak eerst onmacht, schaamte of schuld. Toch is dát de ingang naar verandering.


Een paar praktische richtlijnen om mee te oefenen:

  1. Voel eerst. Neem even pauze voordat je reageert. Vraag jezelf: wat voel ik in mijn lijf, wat raakt dit in mij?

  2. Maak onderscheid. Wat hoort bij jouw oude pijn en wat is van je kind? Dat verschil zien maakt ruimte voor een nieuwe reactie.

  3. Herstel als het misgaat. Een korte erkenning (“dat had ik anders willen doen”) kan wonderen doen. Zo leert je kind dat fouten erbij horen en herstel mogelijk is.


Concrete taal helpt.


“Ik zie dat je boos bent. Ik heb even tijd nodig, maar ik kom zo bij je.”
Zo leert je kind dat afstand niet hetzelfde is als afwijzing en dat nabijheid en autonomie samen kunnen bestaan.


Heling: het doorbreken van de keten

Hulp zoeken is geen teken van falen, maar van moed. Therapie of begeleiding die zich richt op hechtingspatronen kan helpen om oude pijn te dragen, in plaats van door te geven.


Wanneer je partnerrelatie veilig genoeg is, kan die een oefenplek worden. Een ruimte waar je eerlijk mag zijn over angst, grenzen en verlangen. Daar kun je leren dat nabijheid niet hoeft te verstikken, maar juist kan verzachten.


Heling gebeurt niet in één gesprek, maar in talloze kleine momenten van bewust kiezen: voelen, benoemen, herstellen.


 
 
 

Opmerkingen


bottom of page